Spelregels

Iedereen die niet in staat is om lopend te sporten, mag officieel aan rolstoeltennis doen. Dat betekent dat er mensen met een dwarslaesie of een amputatie meedoen, maar ook mensen die versleten kniebanden hebben en daarom niet lopend mogen sporten. Je hoeft dus niet dagelijks in een rolstoel te zitten om mee te mogen doen. Wel word je eerst gekeurd door een KNLTB arts.

De regels van rolstoeltennis wijken niet veel af van de normale regels. De enige echte afwijkende regel is dat de bal 2 maal mag stuiten, waarvan de eerste stuit binnen het normale speelveld moet zijn. Dit speelveld is overigens net zo groot als bij het validentennis. De rolstoel wordt beschouwd als een deel van het lichaam, dus als er een bal direct tegen de stoel wordt gespeeld is dat een punt voor de tegenstander. De voeten van een rolstoeltennisser mogen de grond niet raken. Men mag er dus niet mee remmen of sturen. Een wielfout wordt gemaakt op het moment dat een van de wielen tijdens het serveren over de base-line of de denkbeeldige middenlijn komt. Op het moment dat een speler/speelster stukken krijgt aan de rolstoel, krijgt hij of zij 20 minuten de tijd om dit op te lossen.